Filomusing

Kerstliederen

page 1
Daar ligt in de kribbe

Daar ligt in de kribbe lief Jezuke zoet,
het lammeke Gods dat ons zondekes boet.
Het komt uit den hemel,
waar d’engeltjes zijn,
om ons te verlossen van d’eeuwige pijn.
Om ons te verlossen van d’eeuwige pijn.

O! Ziet toch hoe schoon
het in ’t kribbeke ligt,
hoe ’t lacht op ons allen
met stralend gezicht.
Hoe ’t reikt met zijn armkes,
alsof het ons zei:
"Ik zie u zo geerne! Komt allen bij mij!
Ik zie u zo geerne! Komt allen bij mij"

Wij komen! Wij komen! O Jezuke zoet
Bij U is het schoon en bij U is het goed
Wij geven U alles,
’t zij groot of ’t zij klein:
wij willen voor eeuwig uw vriendekes zijn
Wij willen voor eeuwig uw vriendekes zijn.

Bij de kribbe

O Kindje, in uwe handen
Beveel ik ziel en hert,
Met driften en stormen,
Met vreugd en levenssmert.

Gij ziet mijn driften branden,
Het zwellen van de vloed,
Hoe ’k tussen vrees en hope
Door ’t bange leven wroet.

O stil dat rustloos smachten,
Beveel aan vloed en wind
Wees Gij mijn hoop en have,
’k Ben uw, o god’lijk Kind.

Gij draagt in uwe handen,
De zee, zo diep en wild,
Een wenk, en strijd en stormen
Zijn, machtig Kind, gestild.

Dat God u, broeders

Dat God u, broeders, vreugdevolle dagen geven mag.
U weet dat Jezus Christus werd geboren deze dag.
Om allen te verlossen die Hij diep in zonden zag.
O tijding van vreugde en troost, vreugde en troost.
O tijding van vreugde en troost.
In Bethlehem van Israël op dit gezegend uur.
Werd Hij die ons verlossen zou geboren in een schuur.
Want nergens in heel Bethlehem was Hem een huis te huur.
De Vader in de hemel zond een goede bode neer.
Aan alle herders die hij vond gaf hij de tijding weer.
Geboren is in Bethlehem de Zoon van God de Heer.
En bij dit blijde lied zijn zij in vuur en vlam geraakt.
Ze lieten al hun schapen waar ze lagen onbewaakt.
En hebben overhaast de tocht naar Bethlehem gemaakt.
Ze kwamen dan in Bethlehem en vonden onze Heer.
Gelegen in een stal, gelijk de engel had geleerd.
Zijn lieve moeder knielde biddend bij de kribbe neer.

Als Bethlehem geen plaats meer heeft

Als Bethlehem geen plaats meer heeft
voor ’t Kind dat wordt geboren.
Alleen een grot nog ruimte geeft,
laat zich de hemel horen.
Gloria, gloria in excelsis Deo
Gloria, gloria in excelsis Deo

Als engelen zingen in de nacht
er is een Kind gekomen,
dan zien de herders op hun wacht,
de sterren aan de bomen.
Gloria, gloria in excelsis Deo
Gloria, gloria in excelsis Deo

Als herders durven op te staan
niet lachen maar geloven,
en naar het Kind zijn toegegaan,
dan zingt de hemel boven.
Gloria, gloria in excelsis Deo
Gloria, gloria in excelsis Deo

Als wijzen reizen en de ster
de weg weet zonder vragen,
dan is de vrede niet meer ver
dan komt God’s welbehagen
Gloria, gloria in excelsis Deo
Gloria, gloria in excelsis Deo.

Als d’herders hun schaapjes bewaakten

Als d’herders hun schaapjesbewaakten,
zo scheen’ de stralen te dalen op d’aarde beneen.
De engel vertelt de herders in ’t veld:
Gods Zoon is geboren, dus maakt u te been.
Dus loofden en zongen de eng’len reen:
Treedt vaardig, ’t is waardig, gij herders gemeen.
Verhoort onze stem: te Bethlehem,
daar zult gij vinden dat Kindeke kleen.
De herdertjes liepen en lieten hun vee,
met zingen en springen, vol vreugde alree.
Dus liepen zij al en vonden de stal,
daar brachten zij Jezus veel zoetigheid mee.
Daar zagen zij Jezus bij beesten geleid,
gewonden, en vonden, al’t haar was gezeid.
Toen gingen zij weer en loofden de Heer:
Zij hebben Gods grote genade verbreid!
Nu laten wij als deze herder bij nacht
ons leven begeven en houden goe wacht,
en zoeken Gods rijk, opdat wij gelijk
door Jezus Gods kinderen worden geacht.

Daar kwamen drie koningen

Daar kwamen drie koningen met ene ster,
à la berline postiljon
Zij kwamen van bij en zij kwamen van ver,
à la berline postiljon
Van cher ami tot in de knie,
wij zijn drie koningskinderen.
Sa pater trek naar Vendelo,
van cher ami.
Zij waren den hogen berg opgegaan,
à la berline postiljon
En zagen de sterre daar stille staan,
à la berline postiljon
Wel sterre ge moet er zo stille niet staan,
à la berline postiljon
Ge moet er met ons naar Betlehem gaan,
à la berline postiljon
Zij gingen dan in een beenhouwerij,
à la berline postiljon
Zij kochten een hesp en zij stolen er drij,
à la berline postiljon
Als Melchior van zijn kemel kwam,
à la berline postiljon
Toen brak hij zijn schenkels al onder den tram,
à la berline postiljon
Toen Balthazar in zijnen vlooienbak lag,
à la berline postiljon
Toen schreef hij een artikel aan ’t Nieuws van den Dag,
à la berline postiljon.